Interview NRC

Naar de entree

 

Albert Einstein voor een schoolbord in 1930 – met de sudoku als moderne toevoeging.

‘Einsteins relativiteitstheorie is voor mij de ultieme sudoku’

Henk Dorrestijn Honderd jaar na de publicatie van Einsteins algemene relativiteitstheorie prikkelt deze nog steeds het menselijk voorstellingsvermogen.

Na zijn pensioen als docent bouwfysica aan de Haagse Hogeschool pijnigde Henk Dorrestijn zijn brein vier jaar lang in een mentale gang langs de diepste krochten van de relativiteitstheorie. Aan de muur van zijn rommelige werkkamer prijkt, schuin boven vrolijke foto’s van zijn twee dochters, een ingelijste poster van de bedenker van die theorie. Het is die ene beroemde, waarop een oude Einstein speels zijn tong uitsteekt. Met dat beeld continu in zijn blikveld, werkte Dorrestijn eerst aan een website, en later aan zijn boek Op het spoor van de tijd dat dit jaar in eigen beheer verscheen.

Dorrestijn studeerde in 1969 af als sterrenkundige, maar was in dat vakgebied nooit actief. En hoewel hij niet de eerste is die het denkt, is hij er stellig van overtuigd dat hij tijdens zijn speurwerk het ongelijk van ’s werelds beroemdste wetenschapper heeft blootgelegd. Niet dat hij daar naar op zoek was, maar mooi vindt hij het wel. „Ik gloeide van trots toen ik ontdekte dat Einstein een verkeerde interpretatie van de wiskunde gebruikte in zijn theorie.”

Waar komt uw fascinatie voor de relativiteitstheorie vandaan?

„De sterrenkunde en de algemene relativiteitstheorie leiden tot beklemmende gedachten. Het gaat over dingen als de eindeloosheid van de tijd en het oneindige van het universum. Die concepten roepen dezelfde soort angstige gevoelens op als nadenken over de dood. De ideeën van Einstein zijn dan extra boeiend: dat de tijd langzamer gaat lopen wanneer je sneller beweegt, dat mensen in een bewegend stelsel langer kunnen leven.

„Maar wat mij echt boeit aan de relativiteitstheorie is dat het een enorme denkuitdaging is. Je moet er diep induiken, je langzaam onderdompelen. Sommige mensen raken enorm begeesterd van een sudoku of een kruiswoordraadsel. Voor mij is de relativiteitstheorie de ultieme sudoku. Het is een theorie waar je je in vast kunt bijten en waar je ’s nachts wakker van kunt liggen. Ik had vaak aan het eind van een dag letterlijk een warm hoofd van het nadenken. Fysiek, ja! Dan merk je echt dat je hersens hebt die op volle toeren moeten draaien. Heerlijk.”

Lukte het de theorie te doorgronden?

„Toen ik dieper de theorie indook, merkte ik dat ik alleen maar bezig was met het begrijpen van de wiskunde. Ik verloor het fysische steeds meer uit het oog. Maar ik wilde dat nu juist begrijpen. Vaak zeggen mensen, zelfs natuurkundigen, dat de relativiteitstheorie ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Ik vind dat natuurkundigen dat nooit mogen zeggen. De natuurkunde moet er naar streven om dingen helder te maken.”

U gelooft niet dat ons voorstellingsvermogen tekort schiet bij de meer exotische aspecten uit de relativiteitstheorie?

„De gangbare versie van de relativiteitstheorie kun je niet vatten, het begrip glipt uit je hoofd. Daarom moest er wel wat mis zijn met de theorie. Het is heel belangrijk dat je alles niet alleen in formules kunt uitleggen, maar ook in woorden. Met woorden leg je helder bloot wat oorzaak en gevolg is. Pas dan krijg je gevoel voor hoe iets in werkelijkheid kan gaan. In de klassieke mechanica is dat heel duidelijk: als ik hier tegen duw, dan beweegt het.

„In andere gebieden is het voor de natuurkunde heel lastig om alles in woorden te vangen. En wanneer je het niet goed uitlegt, worden al die wetenschappelijke theorieën meer een vorm van geloven, dan gaat het allemaal wel heel erg op een religie lijken.”

 

Is dat niet een beetje overdreven?

„De relativiteitstheorie bevat allemaal moeilijke woorden. Zaken als covariantie, causaliteit, het relativiteitsbeginsel. Stop die bij elkaar in een zin en het gaat de meeste mensen boven de pet. Dan doen ze niet meer de moeite om het echt te begrijpen en gaan ze het maar aannemen, net als bij geloof.

„En er is in dit geval zelfs een heilige: Einstein. Aan hem wordt van alles toegeschreven. Men stelt dat hij slecht was in wiskunde, dat hij slecht was in talen, dat hij autistisch was. En als Einstein zo’n probleem had, is het niet erg wanneer jij het ook hebt. Dat praat het goed. Het geeft troost. En: zodra je kritiek hebt op Einstein word je gelijk als dissident beschouwd.”

Wat vindt u zelf eigenlijk van Einstein?

„Ik heb heel veel respect voor hem. Ik heb zijn hele collectie publicaties in mijn kast staan. Maar toch: ik ben inmiddels vier jaar met zijn theorie bezig. Dat is voldoende om te ontdekken dat er hier en daar nog wel wat op valt af te dingen, dat je zijn theorie op een aantal punten kunt verbeteren.”

Heeft u die verbeteringen weleens voorgelegd aan mensen uit het vak, aan beroepsnatuurkundigen?

„Ja. In mijn boek beschrijf ik een verbetering voor de berekening van de periheliumverschuiving van Mercurius. Ik heb dat stuk laten vertalen naar het Engels en toegezonden aan het vakblad Annalen der Physik. Maar ik kreeg al snel antwoord dat het stuk geen prioriteit had.

„In Nederland heb ik mijn boek toegezonden aan het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde. Die hadden geen belangstelling. Ook bevriende wetenschappers uit de tijd toen ik nog sterrenkunde studeerde in Utrecht, zeiden zonder ernaar te kijken meteen: dit kan niet.”

Hoe gaat u ooit gelijk krijgen?

„Ik hoop dat jonge studenten mijn boek lezen. Dat ze op een gegeven moment tegen hun professor roepen: dit klopt niet, u moet dit boek van Dorrestijn lezen! Dat zou geweldig zijn.”

U bent dus nog steeds op zoek naar erkenning uit de wetenschap?

„Jazeker. Ik heb mezelf vijf jaar gegeven om die kerk van de relativiteit binnen te dringen. Ik ben zeker van de dingen die ik in mijn boek schrijf. Dat Lorentzcontractie niet bestaat, dat de verklaring voor de Ehrenfestparadox niet klopt, dat er niet zoiets bestaat als gekromde ruimte. Ik ben hinderlijk overtuigd van mijn gelijk.”

U twijfelt nooit?

„Nu ik met enige rust kan terugkijken op dit boek, slaat heel soms de twijfel toe. Dan denk ik ineens: klopt dit detail nu wel? Dan kan ik daar rustig een hele dag voor uittrekken om er in te duiken. Maar ik kom altijd tot de conclusie dat het perfect klopt.”

En wat als blijkt dat u er toch naast zit?

„De gedachte dat iemand mijn verhaal onderuit haalt, is een regelrechte nachtmerrie. Gelukkig verwacht ik dat die situatie zich alleen in mijn slaap zal voordoen.

„Als iemand mij toch kan overtuigen dat mijn redeneringen onjuist zijn, dan krijgt deze persoon natuurlijk alle egards. Ik vind het dan niet leuk, maar zal mijn verlies nemen. Desondanks verheug ik me in dat geval wel op de gedachtewisseling.”

Op het Spoor van de Tijd, Een zoektocht naar de verborgen raadselen van de relativiteitstheorie, Henk Dorrestijn, 2015, 151 blz, 15 euro.